|
|
 |
|
|
De eerste kortebaankampioen uit Noord-Holland Door: Ron Couwenhoven en Huub Snoep
“Aan Holst, den Amsterdammmer, hulde!”
Negenendertig deelnemers schreven zich in voor 'eene internationale kortebaanrijderij', die op donderdag 17 januari 1901 om één uur 's middags op de Achterzaan bij Zaandam zou worden gehouden door de Burger-ijsclub De Zaan. Het dooide flink, maar de eerst prijs van honderd gulden en de tweede van zestig waren aantrekkelijk genoeg. Al snel moest de baan verlegd worden naar een sloot in het Oosterzijderveld en al even snel moest de nieuwe baan verlaten worden, omdat ook daar water op het ijs kwam. Toen de eerst vijf prijzen verreden waren stond de halve sloot onder water en besloot men de wedstrijden te staken. Philip Holst uit Amsterdam was winnaar geworden voor Jan van der Feer uit Rauwerd, J. Mulder uit Groningen en zijn 21-jarige vriend Jelle Schilstra uit Akkrum, die nog vijftien gulden verdiende.
Holst was toen 27 jaar. Hij was een krachtige gebouwde atleet met een ferme snor. Wat zijn beroep was is niet bekend, maar wel dat hij een uitstekend kortebaanrijder was. 'Wij ontweken de snelle Friezen menigmaal,' zei Schilstra jaren later nog. 'Holst zocht ze op.'
Arend Poepjes, een telg uit een sterk schippersgeslacht uit Lemmer, was ook een vriend van de Amsterdammer. Alhoewel hij menigmaal door hem geklopt werd, had hij zo'n bewondering voor hem, dat hij zijn hond naar Holst vernoemde.
In 1908 schreef één van de noordelijk bladen: 'Aan Holst, den Amsterdammer hulde! Want deze telt 35 à 36 jaren, terwijl de andere twee – Poepjes en Schilstra – tien jaar jonger zijn. En dat zegt wat op de hardrijdersbaan. Wat heeft die Holst nog een krachtigen slag. Het schijnt hem niet te deren, wanneer het tegen wind in gaat. Altijd die regelmatige slag, dezelfde stevige afzet.'
Bij het gouden jubileum van ijsclub Thialf te Heerenveen, waren in 1905 alle sterren aanwezig. Poepjes uit Lemmer, Castelein uit Warga, Ter Molen uit Zwolle, Van der Feer uit Rauwerd. De beste kortebaanrijders van het moment stonden aan de start. Holst was er ook bij.
'En met eere!' meldde de Revu der Sporten in 1909. 'Al deze kloeke rijders bleef Holst de baas en hij verdiende niet alleen 100 gulden met deze wedstrijd, doch ook de Koninginne-medaille. Nog in 't kort willen wij melding maken van een zijner laatste overwinningen, wij bedoelen die van 27 januari j.l. te Zwolle. Toen won Holst ook op mooie wijze en liet rijders als Bosse uit Ouder Amstel, Arend Poepjes, uit Joure, Schilstra, Kees de Jong, enz. ver achter zich. Uit alles blijkt, dat Holst een stoere, taaie Hollander is, een schitterende athleet.'
Op de banen van Thialf was Horst trouwens erg succesvol. Op 9 januari 1901 werd hij in de finale verslagen door Lycle Poepjes, maar won toch nog 30 gulden en op 27 december 1906 werd hij winnaar voor Kees de Jong uit Leeuwarden, die bekend stond onder de bijnaam 'De Koopman', omdat hij vaak maar al te bereid was te 'delen', zodat hij niet tot het uiterste hoefde te gaan.
De kortebaan-specialist uit Amsterdam bereidde zich vaak serieus voor. Vooral als de prestigegevechten op de baan van ijsclub De Vlecke in Joure plaatsvonden, waar meestal de eerste wedstrijd van het seizoen gehouden werd en alle kampioenen aanwezig waren. In 1912, toen hij al 38 jaar oud was, werd hij hier nog tweede achter E. de Vries uit Lemmer.
'Het ging nooit om de centen, maar om de eer,' zei Schilstra lang, nadat hij gestopt was. De Fries 'deelde' de prijzen meestal met Holst. Dat was ook de reden, waarom hij heel wat wedstrijden in het Westen reed. 'Als de wedstrijd in Joure aangekondigd werd, kwam Holst gelijk. Hij oefende zich dagen van te voren en steeds reed hij in de prijzen.'

Phil Horst (links) reed en won op 13 januari 1914 op de ijsbaan van ijsclub De Vlecke in Joure tegen de Friese crack Arend Poepjes. Hij was toen al meer dan veertien jaar actief. |
Holst zorgde altijd zelf voor zijn schaatsen, maar hij was ook niet te beroerd die van zijn vrienden te slijpen. Toen Schilstra in Amsterdam kwam rijden, zij Holst: 'Geef me uw schaatsen maar even, dan zal ik ze slijpen.' De Friezen hielden daar niet zo van. Je wist maar nooit wat je concurrent met je ijzers deed. 'Maar.' zei Schilstra, 'ze waren tiptop in orde.'
Op 27 januari 1917 dook Holst nog eens op in de uitslagen. Dit keer in Warmenhuizen. De 43-jarige rijder was nog steeds een geducht concurrent. Alleen Wim Cnossen, een Fries die van Oosterzee naar Haarlem was verhuisd, reed sneller. Hij won veertig gulden. Holst moest met de helft tevreden zijn, maar het was nog steeds veel meer dan een weekloon bij een baas.
Uit ons archief:
Wedstrijdbepalingen voor wedstrijden op de schaats (korte baan) uit 1949 Verordening van de IJspolitie uit 1898
|
|
| |
|